Tweede Kamer stemt in met Belastingplan 2011

TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

2. Verhoging btw op podiumkunsten en kunst- en verzamelvoorwerpen

2.1 Verhoging btw op podiumkunsten 
In het Regeerakkoord heeft een weging plaatsgevonden over het al dan niet continueren van fiscale faciliteiten en het inzetten van de daarmee gepaard gaande opbrengst voor andere doeleinden. Zoals blijkt uit het Regeerakkoord wil het huidige kabinet op het terrein van cultuur meer ruimte geven aan de samenleving en particulier initiatief en de overheidsbemoeienis beperken. Het kabinet wil meer aandacht schenken aan de verdiencapaciteit van cultuur en culturele instellingen en kunstenaars stimuleren meer ondernemend te worden en een groter deel van hun inkomsten zelf te verwerven. Hierbij past het naar de mening van het kabinet niet meer om een uitzonderingspositie, zijnde een verlaagd tarief voor podiumkunsten, voor deze sector in stand te houden. Podiumkunsten worden daarom onder het algemene btw-tarief van 19% gebracht. Onder podiumkunsten vallen de volgende diensten: het verlenen van toegang tot muziek- en toneeluitvoeringen (bijvoorbeeld opera’s, operettes, dansen, musicals en lezingen) en het optreden door uitvoerende kunstenaars.

Met betrekking tot de verhoging van het btw-tarief voor podiumkunsten is overgangrecht opgenomen. Voor alle in 2010 verkochte kaartjes van voorstellingen die in 2011 plaatsvinden, zou zonder nadere regelgeving door de theaters en schouwburgen de btw-verhoging betaald moeten worden en nagevorderd kunnen worden bij de bezoekers. Aangezien dit op grote bezwaren voor de uitvoering stuit, wordt hiervan afgezien. Met dit overgangsrecht worden de theaters en schouwburgen behoed voor hoge administratieve lasten bij invoering. Dit heeft geen gevolgen voor de voorziene budgettaire opbrengst voor 2011.

Uit het evaluatierapport van het verlaagde btw-tarief voor cultuur en media2 kunnen de gevolgen van de verhoging van
het btw-tarief voor de vraag naar gesubsidieerde podiumkunsten worden afgeleid. Een btw-stijging van 6% naar 19% (een prijsverhoging van 12,3%) leidt op lange termijn tot een vraaguitval van 4,3%. Uit hetzelfde rapport is overigens af te leiden dat bij bioscopen bij eenzelfde btw-verhoging de vraaguitval 65% hoger uitvalt (7,1%). Deze lagere prijselasticiteit voor gesubsidieerde podiumkunsten zal mede veroorzaakt worden doordat relatief veel hoge inkomens hiervan gebruik maken. Uit de SCP publicatie Publieke productie en persoonlijk profijt uit 2006 blijkt dat gezinnen met de hoogste inkomens tot bijna zesmaal meer profiteren van subsidies voor de podiumkunsten dan de laagste
inkomen. Gelijksoortige cijfers met betrekking tot niet gesubsidieerde podiumkunsten zijn niet beschikbaar.

2.2 Verhoging btw kunstvoorwerpen en voorwerpen voor verzamelingen en anitquiteiten
Kunstvoorwerpen en voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten worden eveneens onder het algemene btw-tarief gebracht. De achterliggende reden van het van toepassing verklaren van het verlaagde btw-tarief op kunst en verzamelvoorwerpen was het voorkomen of het verzachten van cumulatie van belasting. Kunst en verzamelvoorwerpen zijn namelijk goederen die gedurende hun doorgaans lange bestaan meer dan eens opnieuw in het handelsverkeer kunnen opduiken. Juist bij deze goederen kan zich dan ook cumulatie voordoen. De invoering van de zogenoemde marge-regeling waarbij uitsluitend omzetbelasting verschuldigd is over de winstmarge van de handelaar, voorkomt deze dubbele heffing. Daarmee is het verlaagde btw-tarief niet meer nodig ter voorkoming van cumulatie.

De gevolgen van de verhoging van het btw-tarief voor de verkopen van kunst en antiek zijn, evenals bij podiumkunsten, afhankelijk van de mate van vraaguitval. Kwantitatieve gegevens hierover zijn niet voorhanden, maar verwacht mag worden dat ook hier vooral gezinnen met hogere inkomens tot de doelgroep van deze verkopen behoren.

9. Gevolgen voor burgers en bedrijfsleven
Verhoging btw op podiumkunsten en kunst- en verzamelvoorwerpen
Aan de tariefverhoging zijn geen structurele administratieve lasten verbonden. Aangezien voor alle in 2010 verkochte kaartjes voor voorstellingen in 2011 overgangsrecht van toepassing is, hoeven hier geen extra administratieve handelingen voor verricht te worden. De tariefswijziging zelf zal voor de theaters, schouwburgen, uitvoerende kunstenaars en verkopers van kunst- en verzamelvoorwerpen tot een eenmalige aanpassing leiden welke kosten geschat worden op circa € 0,5 mln. Deze kosten kunnen oplopen indien bijvoorbeeld theaters en schouwburgen ervoor kiezen om hun brochures voor het seizoen 2010/2011 te herdrukken met de nieuwe prijzen in verband met de btw-maatregel. 5 De WBSO is de verzamelnaam voor de faciliteit afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O-afdrachtvermindering) en de aftrek speur- en ontwikkelingswerk.


Onderdeel 5
Artikel XIX, onderdelen A en B (artikelen 28c en Tabel I van de Wet op de omzetbelasting 1968)
In Tabel I bij de Wet op de omzetbelasting 1968, waarin de categorieën diensten en goederen zijn opgesomd waarop het verlaagde btw-tarief mag worden toegepast, worden de posten voor kunst (onderdeel a, post 29) en podiumkunsten (onderdeel b, post 14, onderdeel d, en post 17) geschrapt. Dit betekent dat voor deze leveringen en diensten het btw-tarief van 19% geldt.
Artikel 28c van de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt in verband met het vervallen van post 29 in onderdeel a van Tabel I van de Wet op de omzetbelasting 1968 aangepast.

Onderdeel 6
Artikel XIXA (omzetbelasting – toe te passen tarief kunstvoorwerpen)
Teneinde onduidelijkheid te voorkomen over de vraag welk tarief van toepassing is bij de tariefwijzigingen in de omzetbelasting ter zake van kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, wordt in artikel XIXA, tweede lid, expliciet bepaald dat het tijdstip waarop het belastbare feit zich voordoet, bepalend is.

Onderdeel 9
Artikel XXIXB (overgangsrecht btw op kunst en podiumkunsten)
Voor vergoedingen die vóór 1 januari 2011 zijn ontvangen ter zake van muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen, alsmede lezingen, en optredens door uitvoerende kunstenaars die op of na deze datum plaatsvinden, blijft het verlaagde btw-tarief van toepassing. Dit betekent dat bijvoorbeeld voor kaartjes die zijn aangeschaft voor een musical die in 2011 plaatsvindt, geen 13% omzetbelasting hoeft te worden nagevorderd.


Nieuws

07-12-2010 Motie-Noten (PvdA) c.s. over afzien van de verhoging van de btw op de podiumkunsten
06-12-2010 Werkgevers tegen snelle invoering btw-verhoging kunstensector
01-12-2010 Europese Commissie wil btw-stelsel vernieuwen
29-11-2010 Nieuwe regels voor overkreditering bij hypotheekverstrekking
21-11-2010 Evenementen omzeilen btw-verhoging
18-11-2010 Tweede Kamer stemt in met Belastingplan 2011

1 3


 

© 2015 Alexander van Sandick Services